U bent hier: Home » In de beste families » Levensfases; de groei van jouw persoonlijkheid

Levensfases; de groei van jouw persoonlijkheid

De kleuter (ongeveer 3- 6 jaar)

De kleuter stapt vanuit een kleine, zeer overzichtelijke wereld in een grote, nieuwe wereld. Bij de kinderopvang richt ze zich eerst op de begeleider. Als ze zich veilig voelt in haar nieuwe omgeving kan ze haar blik verruimen. Ze krijgt dan oog voor de andere kinderen en het speelgoed. Tijdens deze fase gaat het kind volledig op in het spel met poppen, ridders, auto’s etc. Het kind schrijft menselijke eigenschappen toe aan dingen en kan zijn frustraties er in kwijt. Dat kunnen knuffels zijn, auto’s of poppen. Het kind kan zo in zijn fantasie opgaan dat het lijkt alsof de rest van de wereld niet meer bestaat. Daarnaast is het mateloos geboeid door de fantasie die de volwassenen inbrengen zoals liedjes, sprookjes of een poppenkast spel. Tijdens deze fase leeft het kind zonder tijdsgevoel. Het leeft in het nu zonder doel. Het drukt zich uit in het spel waarin het allerlei ontdekkingen doet. Rond de leeftijd van 4 a 5 jaar krijgt het kind een besef van zijn eigen ik, zijn identiteit, door alle indrukken die het heeft opgedaan uit de omgeving. Er zijn momenten dat het zijn eigen keuzes wil maken en vasthoudend is in zijn wil.  Het kan ook verantwoordelijkheid dragen. Verantwoordelijkheid die past bij de leeftijd met begeleiding van een volwassene. Kinderen van deze leeftijd kunnen nog niet goed invoelen wat een ander voelt. Rond een jaar of vijf vind er een sterke ontwikkeling plaats in de gewetensvorming. Door de opvoeders en door zijn omgeving leert het kind dat er normen en waarden zijn die je moet nastreven.

Basisonderwijs 6 – 9 jaar

Tijdens deze fase treedt zowel een grote uiterlijke als innerlijke verandering op. Na de fysieke groeispurt, die veel energie kost, kan het zich sterker voelen. Het wil de wereld gaan verkennen op eigen kracht. Op weg naar meer autonomie. Kinderen die veilig gehecht zijn durven de wereld te gaan verkennen omdat ze zich gesteund voelen en vertrouwen hebben. Vriendjes gaan een belangrijke plaats innemen. Doordat het de wereld wil ontdekken komt de wereld ook binnen, via beelden die het ziet. Het kan indringende gebeurtenissen nog niet plaatsen, zoals echtscheiding, ziekte en dood. Daardoor kan het boos, verdrietig, wanhopig en angstig voelen.

Tijdens deze fase gaat het zijn identiteit verder ontwikkelen. Voornamelijk door naar anderen te kijken. Modelling is het leren van nieuw gedrag door het gedrag van de ander als voorbeeld te nemen. Daar is vertrouwen voor nodig in de ander.  Tijdens deze fase krijgt het kind behoefte aan zekerheid en een logische samenhang tussen de regels. Dat kan iets dwangmatigs krijgen.

Door een veilige hechting kan het zowel op zijn sterke eigenschappen (vertrouwen in zichzelf) als op zijn zwakke eigenschappen reflecteren. Omdat het kind zich bewust wordt van verschillen tussen zichzelf en anderen, kan het zich ook beter verplaatsen in de ander. Dit is een voorwaarde om inlevingsvermogen te kunnen ontwikkelen. Het krijgt behoefte aan een goede vriend(in).

Een eigen IK                       9 – 12 jaar

De ontwikkeling van het zelfbeeld en de relatie met anderen en de wereld wordt beïnvloed door de bewustwording van de fysieke ontwikkeling. Het is een fase waarin kinderen kritisch kijken naar het uiterlijk van zichzelf en van de ander. Tegelijkertijd zijn vriendschappen in deze periode heel belangrijk. Het kind is in deze fase vaak bang in de nacht voor de duisternis of voor het onbekende. Het leert emoties beter te begrijpen bij zichzelf en bij anderen. Het kind krijgt steeds meer een beeld van wie het is. Dat zelfbeeld kan positief of negatief zijn. Het heeft behoefte om bevestigd te worden in zijn positieve zelfbeeld door  opvoeders en wil graag voor groot worden aangezien. Deze fase is belangrijk voor de vorming van de sociale identiteit. Het wil weten wat het voor anderen betekent, wil onderdeel zijn van een groep en het gevoel hebben dat het erbij hoort. (de peergroep) Hierdoor ontwikkelt het sociale vaardigheden.

 

De Puberteit   (ongeveer 12  – 18 jaar)

Tijdens de puberteit is er sprake van een versnelling ten aanzien van de lichamelijke groei.  Hierdoor heeft de puber soms vreemde lichaamsverhoudingen; lange armen of benen in verhouding tot de rest van het lichaam. Daarnaast leidt de seksuele ontwikkeling naar nieuwsgierigheid, onzekerheid en experimenteren met de seksuele behoefte. De puberteit is een periode van onderzoek en experimenteren vanuit de behoefte om een eigen identiteit te ontwikkelen, (wie ben ik?),  zich af te zetten tegen de normen en waarden van de ouders, een eigen mening te ontwikkelen en een plek in te nemen.

Er zijn pubers die hun gevoelens als uitgangspunt nemen en daardoor last hebben van stemmingswisselingen of erg in emoties blijven hangen. Er zijn pubers die helderheid proberen te krijgen door na te denken over ideeën en meningen. En er zijn pubers die van alles ondernemen bijvoorbeeld activist worden, van kleding veranderen, met school stoppen. De drang naar zelfstandigheid wordt tijdens de puberteit sterker. De peergroep speelt hierbij een grote rol.

  1. Wat voor soort puber was jij?
  2. Waar heb je voor gestreden?
  3. Wat had je in de puberteit graag gedaan, maar kon niet, mocht niet of durfde je niet?
  4. Hoe was je Middelbare school tijd?
  5. Hoe was je contakt met vrienden en met de leerkrachten?
  6. Welke rol had je in de klas?
  7. Hoe ging je om met de verwachtingen van je ouders t.a.v. schoolprestaties?
  8. Wat waren je toekomstdromen?
  9. Hoe verliepen de eerste verliefdheden en seksuele ontdekkingen ?
  10. Wat deed je in je vrije tijd?

 

De adolescentie  (ongeveer 18 – 24 jaar) 

Tijdens deze fase periode heb je de behoefte om de wereld in te gaan, jezelf te redden, je eigen sociale omgeving op te bouwen, maar ook bevestiging te krijgen in wie je bent en wat je kunt. Je wilt je losmaken van je ouders om je eigen leven te gaan leiden. Je kiest je eigen opleiding, werk, vrienden en je eigen manier van leven. Zelf iets kiezen, uitvoeren en er succes mee hebben geeft veel voldoening. Maar het is een weg van vallen en opstaan. De belangrijkste opgave voor de adolescent is zelfstandig worden. Dat betekent niet dat je totaal onafhankelijk wordt maar dat je een goede balans vindt tussen afhankelijkheid en onafhankelijkheid. Je hebt andere mensen nodig daardoor blijf je altijd in zekere mate afhankelijk van elkaar. Je eigen leven leiden en je eigen keuzes maken kan gepaard gaan met angst, want bij elke keuze laat je andere mogelijkheden liggen. De onzekerheid of je wel het juiste kiest en of je de consequenties van deze keuze wel kan dragen, kan verlammend werken. Maar wanneer je niets onderneemt zul je nooit weten of je de juiste keuze hebt gemaakt.

  1. Op welke manier ben je uit huis gegaan?
  2. Hoe verliep je studie of je werk.
  3. Hoe was het om op jezelf te zijn?
  4. Hoe verliepen je sociale contacten?
  5. Hoe verliepen je seksuele contacten?
  6. Hoe verliepen je intieme relaties?
  7. Schets een beeld van wie je was rond je 24ste jaar.
  8. Wat waren je verlangens, je angsten, je verwachtingen, je zelfbeeld en beeld van de wereld.

 

Volwassenheid      (24  –  34 jaar) 

Jouw volwassenheid is niet een stabiele staat van zijn maar een proces van levenservaring op doen en je identiteit vorm geven in werk, vriendschappen en in een intieme relatie.

  1. Hoe verliep jouw leven m.b.t. werk en/of studie?
  2. Wat heb je geleerd?
  3. Waar heb je ervaring in op gedaan?
  4. Op welke gebieden heb je zelfvertrouwen opgebouwd?
  5. Wat vond je lastig?
  6. Waar had je plezier in?
  7. Hoe verliepen je vriendschappen en intieme relaties?
  8. Met welke verwachtingen ben je gaan samenwonen of getrouwd?
  9. Hoe is de relatie met je ouders?
  10. Wat was je kijk op de toekomst?
Mid – leven (ongeveer 35 – 45)

Tijdens deze leeftijdsfase wordt je een senior in je werk, los van het feit of je een wel of niet een vaste baan hebt. Meestal heb je een vaste relatie en de verantwoordelijkheid voor opgroeiende kinderen. Verantwoordelijkheden maken het soms moeilijk om stil te staan bij wie jij bent en wat jouw wensen zijn in het leven.

  1. Wie ben je geworden; waar ben je goed in en wat zijn je beperkingen.?
  2. Hoe zag je leven en werk er in die periode uit?
  3. Wat hield je bezig?
  4. Wat wilde je veranderen?
  5. Zijn er grote veranderingen opgetreden?
  6. Hoe zag je jezelf.
  7. Wat vond je van het leven?
  8. Wat voor moeder, vader, partner ben je geworden?
  9. Hoe heeft dit je kijk op het leven beïnvloed?
De herfst van het leven  (ongeveer 50 – 60 jaar)  
  1. Wat is van belang en wat is niet meer van belang?
  2. Waar geniet je van?
  3. Waar neem je afscheid van; mensen, ambities, idealen?
  4. Wat wil je nog leven?

Welke gevoelens krijg je en welke conclusies maak je als je zo terug kijkt op je leven ?

Wil je weten welke identiteit je hebt ontwikkeld?

Doe de gratis zelfbeeldtest:

Ik meld me aan voor de gratis Zelfbeeld test
dit veld niet invullen s.v.p.

mm

Marja heeft twintig jaar ervaring in het begeleiden van mensen bij de ontwikkeling van hun Emotionele Intelligentie en is auteur van het boek 'Emoties wat moet ik ermee?' Marja heeft een methode ontwikkeld die zich richt op vier niveaus van leren: rationeel, emotioneel, fysiek en gedragsmatig. Dit leidt tot een diepgaande persoonlijke ontwikkeling met blijvend resultaat. Ze is getrouwd, heeft een volwassen dochter en woont en werkt in Amersfoort.

https://www.omgaanmetemoties.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *